User tags
- baksteen_cuypers
-
Heeft u betere afbeeldingen?
Voeg een beeld toe › -
Heeft u aanvullingen of verbeteringen?
Stuur een reactie ›
Kropholler, Alexander Jacobus
- Geboren:
- Amsterdam, 1881-07-26
- Overleden:
- Wassenaar, 1973-05-17
- Geslacht:
- Man
- Nationaliteit:
- Nederlands
- Biografiebron:
- BNA-Archief / Nederland bouwt in baksteen - 5296M / Wie is dat? 1956 - 35629
Wie in de wereld van de architectuur de naam Kropholler hoort, denkt onwillekeurig aan de man die in de stijl van Berlage, op traditioneel ambachtelijke wijze, sobere bakstenen kerken en raadhuizen ontwierp. Vaag is er de herinnering aan zijn conflictueuze houding in het interbellum en vaak hoort...
Wie in de wereld van de architectuur de naam Kropholler hoort, denkt onwillekeurig aan de man die in de stijl van Berlage, op traditioneel ambachtelijke wijze, sobere bakstenen kerken en raadhuizen ontwierp. Vaag is er de herinnering aan zijn conflictueuze houding in het interbellum en vaak hoort men dat Kropholler tijdens de bezetting een scheve schaats zou hebben gereden. Dit summiere beeld klopt soms wel, soms niet, maar levert te weinig materiaal en is te rudimentair. om deze architect recht te doen. Immers, hoe omstreden hij ook geweest mag zijn, hij heeft met zijn niet onaanzienlijke oeuvre een markant stempel gedrukt op de architectuurproductie van de eerste helft van de twintigste eeuw. Bovendien speelde hij een belangrijke rol in een zeer bewogen periode binnen de Nederlandse architectuurgeschiedenis. Verschillende stromingen - van Art Nouveau tot Nieuwe Zakelijkheid - volgden elkaar op of bestonden naast elkaar. Menig architect ging van de ene stroming over op de ander, maar Kropholler bleef recht in de eigen leer, namelijk trouw aan de 'rationele' Berlage en trouw aan de Hollandse bouwtraditie. Hij getuigde daarvan in vele artikelen en boekwerken.
Binnen de geschiedschrijving van de Nederlandse architectuur is nog nauwelijks aandacht besteed aan het werk van Kropholler. Architect Herman Jansen begon ooit aan een biografie, maar heeft deze nooit voltooid.1 Hij kwam met het werk van Kropholler in aanraking doordat Berlage hem op diens werk attendeerde tijdens de tentoonstelling over de Haagse stadhuisprijsvraag in 1933. Jansen verwoordt deze ontmoeting als volgt: Tijdens mijn rondwandeling stond ik op zeker moment alleen achter een kleine man. Aandachtig, wat gebogen, om het van nabij te bezien, bekeek hij het ontwerp van Kropholler. Plotseling richtte hij zich op en richtte zich tot mij. "Bent U ook in het vak?" vroeg hij. Onmiddellijk herkende ik hem: het was Berlage. Ik vertelde hem dat ik nog op de academie was. "Let dan op deze man" zei hij kortaf en wees op het ontwerp waar we voor stonden; "hij weet waar het over gaat".2 Enige tijd later ontmoette Jansen Kropholler zelf op een tentoonstelling die geheel aan diens werk was gewijd. Er ontstond een vriendschap tussen beide architecten die dertig jaar heeft geduurd. Kropholler liet hem een groot deel van zijn tekeningen, correspondentie en boeken na. Hij wilde deze niet aan het Nederlands Documentatiecentrum van de Bouwkunst schenken omdat de BNA daarin vertegenwoordigd was. Voor het boek van Jansen heeft Kropholler destijds nog zelf biografisch materiaal aangedragen. Ook heeft hij een lijst van werken samengesteld. Jansen heeft dit materiaal twintig jaar geleden aan mevrouw A. Hofstede gegeven, die bezig was met een doctoraalscriptie over Kropholler (Amsterdam, VU, 1983).3 Jansen verzocht haar het materiaal na gebruik aan het Nederlands Documentatiecentrum voor de Bouwkunst te schenken, hetgeen geschiedde.
Nog twee studenten schreven hun doctoraalscripties over het werk van de architect: van E.M. Dolné (KUN, 1980) over leven en werk van Kropholler4 en mevrouw A. Kramer (Leiden, 1982) over de kerken van de architect.5
Achtergrond en opleiding
Alexander Jacobus Kropholler, 'Co' voor de familie, werd op 26 juli 1881 geboren als zoon van Jan Jacobus Kropholler (1850-1922) en Margaret Bisset (1861-1943). Van het gezinsleven en van Krophollers jeugd is weinig bekend. Hij heeft zich daar zelf niet of nauwelijks over uitgelaten. De vader was eerst kantoorbediende, later makelaar in roerende goederen zoals tin en katoen, en hield zich daarnaast bezig met vioolbouw. Volgens Kropholler stamde hij uit een Deens geslacht; de naam zou oorspronkelijk Kropholler geweest zijn. De moeder was de dochter van de Schotse predikant Alexander Bisset van de English Reformed Church op het Begijnhof in Amsterdam.6
Het gezin, dat eerst op de Prinsengracht 74, later in de Vijzelstraat boven een schilderijenwinkel woonde, telde vijf kinderen: drie zonen en twee dochters. Alexander en Kees waren zeer muzikaal. Beiden vonden emplooi in Duitsland: Alexander als muziekleraar en cellist bij de opera in Hannover, Kees als violist in Bremen.7 Van de dochters koos Margaret net als haar broer voor het beroep van architect. Zij zou bekend worden als de eerste vrouwelijke architect in Nederland. In Amsterdam realiseerde zij enkele woningblokken in de stijl van de Amsterdamse School.8 De andere dochter, Julie, werd een niet onverdienstelijk beeldend kunstenares. Zij gaf les aan de Vakschool voor Meisjes in Den Haag.9 Julie was bij enkele van Krophollers werken betrokken als ontwerpster van bijvoorbeeld glas in lood ramen en tegeltableaus. Ook illustreerde zij publicaties van en over het werk van haar broer.10 De Krophollers vormden derhalve een kunstzinnige familie.
Hoewel Cos moeder graag gezien had dat hij predikant was geworden, volgde Kropholler van 1892 tot 1896 een timmermansopleiding aan de Eerste Ambachtsschool aan de Weteringschans.11 Hij kreeg hier onderricht in timmeren, meubelmaken, schilderen, draaien, vaktekenen, projectieleer, kennis der bouwmaterialen en handtekenen. In de schoolvakanties nam hij bijlessen bij een van de leraren op de school, Th. van Harderwijk, die hem kennis van bouwmaterialen bijbracht en bij wie hij ook bouwplannen leerde maken.Van een tante kreeg hij les in talen. Hij was ongeveer vijftien jaar oud toen hij in de leer kwam bij het aannemersbedrijf Staal & Haalmeijer in de Derde Weteringdwarsstraat. Vervolgens werkte hij korte tijd op het bureau van de in Duitsland opgeleide architect J. Beirer (1848-1915), waar hij opklom naar de functie van opzichter. Hij kreeg onder meer het toezicht op de bouw van drie panden onder één kap in de Jan Luykenstraat. Kropholler zegt hier zelf over: 'Korte tijd ben ik opzichter geweest bij de bouw van een villa achter het Rijksmuseum voor arch. Beirer, waar ik in de keet details tekende op een heel preciese manier zoals Beirer dat wenste, met veel ingeschreven maten. Ik denk dat hij dit systeem uit Duitsland had meegebracht.' Tegen het einde van de eeuw werd hij, na een aanbeveling van Beirer, tekenaar bij het aannemersbedrijf van de gebroeders Nienaber in de Spuistraat. In 1902 kreeg Kropholler zijn eerste zelfstandige opdracht: de verbouwing van enkele bestaande panden tot een pakhuis voor de firma Wijers aan de Nieuwezijds Voorburgwal. 'Na een poosje in de practijk te hebben gewerkt verkreeg ik door bemiddeling van mijn patroon de opdracht als architect voor een groot pakhuis te Amsterdam, die ik met een vriend deelde.' Deze vriend was Jan Frederik Staal (1879-1940), de zoon van firmant Staal van Krophollers eerste werkgever Staal & Haalmeijer, die hij binnen dit bedrijf had leren kennen. Staal was in 1902 net terug van een studiereis door de Verenigde St aten. Zij begonnen een samenwerkingsverband dat ongeveer tien jaar zou standhouden.12
Bureau Staal en Kropholler (1902-1910)
De nog zeer jonge architecten - Kropholler was negentien en Staal eenentwintig jaar - begonnen hun bureau in het pand van Staal en Haalmeijer aan de Derde Weteringdwarsstraat 28. Omstreeks 1905 verhuisden ze naar Stadhouderskade 74.13 De belangrijkste opdrachtgever in deze periode was de directie van levensverzekeringsmaatschappij 'De Utrecht', voor welke de firma van de vader van Staal de winkelgalerij in de Raadhuisstraat had gebouwd. De directeuren verlangden een aansprekend imago in de vorm van nieuwe filiaalgebouwen met een bijzondere en moderne uitstraling. Het bureau bouwde voor 'De Utrecht' bijkantoren in Leeuwarden (Tweebaksmarkt, 1903) en Utrecht (Leidseweg, 1907), kantoor- en winkelgebouwen in Amsterdam (Damrak, 1903-1906 en Raadhuisstraat, 1906-1907), een winkelwoonhuis in Utrecht (Choorstraat, 1906) en een houtvesterwoning met brandtoren op het landgoed van de 'De Utrecht' in Hilvarenbeek (1905). Staal hield zich bij deze opdrachten vooral met de zakelijke kant van het werk bezig. Een enkele keer trad hij ook als makelaar op.14 Bij veel panden, die zij voor 'De Utrecht' bouwden, maakten zij gebruik van kunstenaars die de gebouwen van - symbolistische - ornamentiek voorzagen in de vorm van beeldhouwwerk en tegeltableaus. Ook gebruikten zij verschillende soorten baksteen en natuursteen, en met name ook geglazuurde baksteen. Voor de bakstenen wanden werden zorgvuldig uitgewerkte tekeningen vervaardigd, waarin niets aan het toeval werd overgelaten en elke steen werd aangegeven en ingekleurd. De belangrijkste kunstenaar voor de ontwerpen van het bouwbeeldhouwwerk was J. Mendes da Costa over wie Kropholler meldt: 'Al in de tijd dat ik nog bij Staal en Haalmeyer [sic] werkte, was mijn oog gevallen op beeldjes die geëtaleerd waren bij Wisselingh op t Spui. Het waren de eerste beeldjes die Mendes da Costa maakte en ze trokken me zeer aan. Ik bezocht hem in zijn atelier aan de Nieuwe Prinsengracht en greep al spoedig de gelegenheid aan hem beeldhouwwerk op te dr agen.´15 In 1911 bouwde Kropholler, die voor zichzelf ook werk van Mendes da Costa kocht, samen met Staal een atelier voor de kunstenaar in Laren. De samenwerking tussen Kropholler en Mendes da Costa zou pas eindigen met de dood van de beeldhouwer in 1939.
Echo's van Berlage tegenover Amerikanisme
Hoewel Staal en Kropholler zich naar buiten toe altijd als een team manifesteerden - ze ondertekenden gezamenlijk de bestekken en bezochten ook beiden de bouwlocaties - lijkt er van meet af aan tussen beide partners een duidelijk onderscheid in stijlopvatting te zijn. Vanaf het begin is er weliswaar bij beide architecten een verwantschap met de architectuur van Berlage aan te wijzen, maar in verschillende projecten is ook Staals fascinatie voor Amerikaanse hotel- en kantoorhoogbouw uit het einde van de negentiende eeuw te herkennen.16 Kropholler stond dichter bij de vorm- en stijlopvattingen van Berlage, waardoor hij zich zijn gehele werkzame periode zou laten leiden. Het verschil in benadering tussen de partners is goed te illustreren aan de hand van twee gebouwen aan het Damrak: het al eerder genoemde kantoorgebouw voor 'De Utrecht op nummer 28/30 uit 1903-1906 en het kantoorgebouw op nummer 98 van de firma Jac. Bos (1908).
Het wat hoogte en vormentaal betreft opvallende pand Damrak 28-30 lijkt door zijn overeenkomsten met de vroege Amerikaanse kantoorbouw meer een ontwerp van J.F. Staal te zijn. Kenmerkend is de verticale geleding en de beide zeer geprononceerde gevelbeëindigingen van de zolderverdieping, rechts geflankeerd door een hoektoren. De opbouw en structurele indeling van de voorgevel komt overeen met het Palais Royal dat in 1902 door het bureau werd gebouwd op de hoek van de Nieuwezijds Voorburgwal en de Paleisstraat. Ook hier is de sterk verticale geleding van de vensterpartijen, die terugwijken in het gevelvlak als waren het muurdammen, een opvallend element in de architectuur.
Beide gebouwen bevatten verwijzingen naar Amerikaanse voorbeelden, zoals de Western Union Building van George Post in New York (1875) en de Women's Temple van Burnham & Root in Chicago (1890-1892). De gelijkenissen zijn frappant. Ook de sigarenfabriek van Goulmij en Baar van architect A. Salm GBzn. (1893) aan de overzijde van het Rokin vertoont dergelijke elementen. Ook Salm moet, via publicaties in architectuurbladen, gegrepen zijn geweest door Amerikaanse voorbeelden van kantoorbouw. In 1907 zou ook hij een studiereis naar de Verenigde Staten ondernemen.
Bij het kantoorgebouw voor 'De Utrecht' werd gebruik gemaakt van een bijzondere constructie van gietijzeren kolommen en een inwendig staalskelet waardoor vrijere plattegronden ontstonden dan mogelijk zou zijn geweest bij traditionele constructies. Deze innovatieve manier van bouwen wijst in de richting van Staal als ontwerper van dit kantoorgebouw. Staal was erg constructief ingesteld. Enkele jaren later bouwde hij de eerste Nederlandse 'torenflat' aan het Victorieplein in Amsterdam, eveneens met een staalskelet.
Voor het pand van de effectenfirma Jac. Bos, later bekend onder de naam Continental Bodega, werd een pand uit 1649 van Philips Vingboons (1607-1678) afgebroken. Dit gebouw ademt een geheel andere sfeer als Damrak 28-30. Het exterieur vertoont geen enkele verwijzing naar de Amerikaanse kantoorbouw, maar is veel meer een hommage aan Krophollers grote voorbeeld: Berlage. De behandeling van de - vlakke - gevelwand, de plaatsing van de vensters en de toepassing van een loggia en balkons op de verdiepingen in de zuidelijke hoek (tevens ingangspartij), echoën de elementen van Berlages ontwerpen. Aardig is te zien hoe de contour van het pand zich spiegelt aan het Amsterdams Wisselkantoor van Berlage uit 1901, dat op de noordelijke hoek van hetzelfde blok aan het Damrak is gelegen. Architectuurhistorici hebben getracht op grond van de hier beschreven stilistische verschillen tot een toeschrijving van de werken te komen die tot stand kwamen tijdens het compagnonschap. Van Krophollers hand zouden zijn: het pand van 't Binnenhuis in de Raadhuisstraat, de winkel van Kettner op de Heiligeweg en het bovengenoemde pand van Jac. Bos. Staal zou zich voornamelijk hebben bemoeid met de gebouwen voor 'De Utrecht' in Amsterdam, Utrecht en Leeuwarden. Ook Hotel Royal zou zijn schepping zijn.17
Intellectueel milieu
Aanvankelijk waren Kropholler en Staal duidelijk geestverwanten. Ook buiten werktijd trokken zij zeer veel met elkaar op en ondernamen zij culturele activiteiten. Zo waren zij betrokken bij een kring die zich naar Thoreau 'Fors Clasyen' noemde, welke in relatie stond met Frederik van Eedens Walden. In deze kring werden sociale en literaire vraagstukken besproken. Het resultaat daarvan is nog te zien aan de gevel van de Utrecht, waar wezenlijk dragende kolommen het hoofdmotief uitmaken van de 30 meter hoge gevel, aldus Kropholler.18
In de jaren rond 1900 trachtte ik Kant en Schopenhauer te bestuderen, bezochten we de Loge der Theosofische Vereniging, waarvan ook de Bazel en Lauweriks lid waren, en bestudeerden we Berlages geschriften. Naar aanleiding daarvan lazen wij Sempers "der Stil" en wat andere filosofen over bouwkunst hadden geschreven. Verder heb ik met steeds stijgende belangstelling kennis genomen van het werk van Viollet-le-Duc, dat door Berlage "wellicht het schoonste dat ooit over architectuur werd geschreven" genoemd is. De kern van Viollets gedachten, die ik ook bij Berlage terug vond, kwam mij voor van blijvende waarde te zijn. 19
Staal raakte steeds meer betrokken bij de vereniging Architectura. Kropholler liet zich aanvankelijk door Staal overhalen om mee te doen aan activiteiten van deze architectenvereniging - hij schreef onder andere enkele artikelen voor het tijdschrift Wendingen - maar hij voelde zich in deze kring niet echt thuis. Hij vond het teveel een vangnet voor werk en invloed. Wel had Kropholler volgens Herman Jansen grote bewondering voor de expressionistische architectuur van H.Th. Wijdeveld (1885-1987), de drijvende kracht achter Wendingen. 20 Staal begon op zeker moment op hun beider bureau bijeenkomsten te organiseren van de Vereeniging tot bestudering van socialistische vraagstukken, waarvan hij steeds meer de voorman werd. Kropholler zelf voelde zich echter zelf meer en meer aangetrokken tot het katholieke geloof. 21
Als reden voor het uit elkaar gaan van de architecten wordt ook vaak de verboden liefde genoemd tussen Staal, die getrouwd was, en Margaret, de zus van Kropholler. Als aankomend architect liep zij enige tijd stage op het bureau waar zij Staal leerde kennen. Veel later, in 1936, zouden Staal en Margaret Kropholler met elkaar trouwen. Volgens Herman Jansen is dit zelfs de enige en ware reden voor de breuk tussen de architecten geweest. Noch de uiteenlopende ideeën over stijl, noch de divergerende sociale en religieuze overtuigingen zouden debet geweest zijn aan de opheffing van het bureau. Kropholler heeft Staal na 1910 niet meer willen zien of spreken. Pas na de dood van Staal heeft hij zich in positieve zin over de kwaliteiten van Staal en de periode van hun samenwerking uitgelaten. In 1969 zegt hij: Aan onze tienjarige samenwerking terugdenkend wil ik niet nalaten een postuum eresaluut te brengen aan de nagedachtenis van mijn gedurende vele jaren meest gewaardeerde vriend, wien ik niet kan gedenken zonder bijzondere onderscheiding. Voor onze samenwerking was de cirkel als symbool ener gesloten eenheid volkomen passend. 22
Einde van het compagnonschap met Staal
In 1910 eindigde zo de samenwerking tussen de twee architecten. Kropholler bleef na de breuk trouw aan het idioom van Berlage en sloeg daarbij een traditionalistische richting in, terwijl Staal trouw bleef aan het eerder door het bureau ontwikkelde concept: een stijl waarin zowel het werk van Berlage als belangstelling voor de Amerikaanse kantoorhoogbouw doorklonk.
Architect A. Boeken zou het later zo formuleren: De compagnons gingen uiteen, omdat er een tegenstelling van geestelijke sfeer opgetreden was, maar in hun werk kwam aanvankelijk geen tegenstelling.[...]. Maar als men dan later Staal tezamen met de kring architecten van A. et A., die spoedig de Amsterdamsche school zouden vormen, een nieuwe 'wending' ziet nemen (...) terwijl achter Kropholler en vooral naast hem zich een breede machtige stroom ontwikkelt die langs velerlei wegen - wegen waarmee Kropholler veelal niets te maken heeft - terugkeert naar vroeger eeuwen, dan krijgt de scheiding der twee architecten (...) voor de ontwikkeling van de architectuur toch wel een haast symbolische beteekenis. Aan de eenen kant: de vlucht uit deze eeuw. Aan den anderen kant de aanvaarding van dezen tijd, van deze eeuw, het zich richten op het nieuwe. 23
Een zekere vlucht uit deze eeuw, zoals Boeken die signaleerde, is af te lezen uit foto's die Kropholler maakte en allerhande documentatie die hij verzamelde. Uit het fotomateriaal blijkt dat hij zich zorgen maakte over de stedenbouwkundige ontwikkeling van de Nederlandse stad. Veel opnamen hebben de nieuwbouw van speculanten aan de stadsranden en de rommelige overgang tussen deze nieuwbouw en het onbedorven landschap tot onderwerp. De albumplaatjes van Verkade die men ook aantreft in deze documentatie laten het beeld van Nederland zien dat Kropholler verkoos. De Engelse tuinsteden, die hij bezocht tijdens een studiereis, hadden kennelijk ook zijn goedkeuring. 24
Kropholler en het katholicisme
Zoals wij hierboven zagen, las Kropholler rond 1900 veel werken over architectuur en filosofie. Van de filosofen die hij las, sprak vooral Schopenhauer hem erg aan. Zelf zegt hij hierover dat hij bij Schopenhauer gelezen had dat de kern van het Christendom bij de katholieke kerk lag en dat de protestanten met het afschaffen van de kloosters, het kind met het badwater hadden weggegooid.
Terwijl Staal zich steeds meer ging inzetten voor het socialisme, bezocht Kropholler een aantal kloosters in Nederland en België. Hij verbleef daarbij soms korte tijd in zon klooster, waarbij hij naar zijn zeggen de gelegenheid had om de idee n van Schopenhauer te toetsen aan hetgeen hij daar zag en ervoer. Kropholler ontwikkelde een diep respect voor het kloosterleven, omdat het streven van de kloosterlingen erop gericht was van de mens een Übermensch te maken, maar dan wel in christelijke betekenis. 25
In Amsterdam bezocht Kropholler regelmatig de mis in de Vondelkerk van P.J.H. Cuypers, '...de Vondelkerk, die met haar gemetselde portalen, traptorens, steenen goten en duidelijk gescheiden daken mijn bewondering had'. 26 Van 1904 tot 1909 was F.C. van Beukering als kapelaan aan deze kerk verbonden en in deze Benedictijn vond Kropholler een goede gesprekspartner, zowel over geloofszaken als over bouwkunst. Samen met Van Beukering bezocht Kropholler de bijeenkomsten van de katholieke kunstkring 'de Violier', waar hij Jan Toorop leerde kennen, die in 1905 tot het rooms katholieke geloof was bekeerd. Zowel met Van Beukering als met Jan Toorop, voor wie hij in 1910 samen met Staal een eenvoudig atelier bouwde en wiens grafzerk hij eind jaren twintig ontwierp, bleef Kropholler zijn leven lang bevriend.
Op 7 augustus 1908 werd Kropholler in de Vondelkerk door kapelaan Van Beukering gedoopt, een plechtigheid waarbij Jan Toorop als peter aanwezig was. Kropholler wenste zich nu een plaats te veroveren in de katholieke kunstwereld. Een eerste kans daartoe kreeg hij nog tijdens de samenwerking met Staal, met een verbouwingsontwerp voor een kloosterkapel voor de zusters Redemptoristinnen te Velp bij Grave in het jaar van zijn bekering. Het betrof hier een ontwerp voor een nieuwe voorgevel en enkele binnenruimten. 27
Kropholler: de eigen praktijk
In 1910 ging Kropholler bij het rooms katholieke gezin Lissone aan de Keizersgracht 320 in Amsterdam wonen. Deze periode is zeer vormend geweest voor Kropholler De heer des huize, eigenaar van het gelijknamige reisbureau, was net als Kropholler lid van kunstkring de Violier. Lissone spoorde Kropholler aan om zijn ideeën over bouwkunst op papier te zetten, waartoe de architect schrijflessen nam. Over de bouwkunst die hij op zijn reizen in Europa zag, schreef hij enkele stukjes in Lissones blad De Tourist. In 1910 volgden twee artikelen in Bouwkunst. Het was het begin van een stroom aan artikelen en boeken. 28
Vanaf 1914 tot 1922 woonde Kropholler aan de Harstenbroekweg 95 te Scheveningen en vanaf 1922 tot aan zijn dood in een door hemzelf ontworpen landhuis in het villapark 'Nieuw Wassenaar' te Wassenaar. Ook het interieur was hier geheel van zijn hand. In de tuin stond het kantoor. 29
Krophollers ontwerpbureau heeft altijd een bescheiden omvang gehad. In de tweede helft van de jaren twintig moest hij uitbreiden, zowel in de zin van werkruimte als van personele bezetting, omdat het aantal opdrachten sterk toenam. Voor de werktekeningen had hij toen twee vaste tekenaars in dienst. De perspectief- en presentatietekeningen werden verzorgd door Reurt J. Veendorp (1905-1983). Kropholler had aan hem een geweldige steun want zelf kon hij getuige zijn schetsen maar matig uit de vrije hand tekenen. Veendorp was afkomstig uit een welgestelde familie. In Groningen doorliep hij de HTS, afdeling Kunstnijverheid en de Academie Minerva waarna hij twee jaar bij de plaatselijke architect G. Hoekzema Kzn. werkte, die bekend stond als een adept van Berlage. In deze periode besloot hij naar Amsterdam te gaan waar hij lessen volgde van de Vereniging voor Voortgezet en Hoger Bouwkunstonderwijs. In 1928 vroeg hij via Hoekzema aan Kropholler of hij stage bij hem mocht lopen. Dit betekende het begin van een samenwerking die veertig jaar, tot 1968, stand zou houden. 30
In de loop der tijd illustreerde Veendorp tal van Krophollers publicaties. Na de oorlog werkte hij als zelfstandig compagnon voor Kropholler, op fifty-fifty basis. Het werk stond nu op beider naam. 31 Veendorp bouwde tijdens zijn leven een belangrijke kunstcollectie op, zowel van werken uit de Haagse School als van Oosterse kunstwerken. Deze schonk hij bij zijn dood aan het Groninger Museum. Het laatste gebouwde werk waaraan Veendorp zijn medewerking heeft verleend, is de uitbreiding van het raadhuis van Wateringen in 1967. Er ontstonden in die tijd diepgaande meningsverschillen waardoor Veendorp niet langer wilde meewerken aan de plannen voor het raadhuis van Berkel en Rodenrijs die op dat moment in de maak waren. Waarover deze meningsverschillen gingen, is niet bekend. 31 Andere tekenaars die in de loop der tijd voor Kropholler hebben gewerkt, zijn Arend Hendriks, J.B. Heukelom, B.J. Koldeweij, H. van der Kloot Meijburg en zijn reeds eerder genoemde zus Julie.
Kropholler maakte bij zijn meer complexe ontwerpen ook wel gebruik van uit blokjes opgebouwde maquettes, die hij mee nam naar zijn opdrachtgevers. Zo zijn er maquettes gemaakt voor de Linnaeushof, het St. Rita klooster, de kerk van St. Antonius Abt in Rotterdam-Delfshaven en van de St. Paschaliskerk in Den Haag. Soms liet hij de maquettes in gips afgieten, door de beeldhouwers Jac. en Johanna Sprenkels uit Hillegersberg bij Rotterdam. 32
Kropholler en Berlage
Uit het werk dat Kropholler maakte nadat de samenwerking met Staal was beëindigd, blijkt wel hoezeer de architect een volgeling van Berlage was. Dit werd in die tijd ook door anderen zo ervaren. Zo probeerde mevrouw Kröller-Müller in 1919 Kropholler aan te trekken als opvolger van haar 'huisarchitect' Berlage. Deze accepteerde de uitnodiging, nadat hij aanvankelijk nog had voorgesteld om samen met Berlage voor haar te werken. Berlage was echter bij haar uit de gratie en bovendien wilde ze uitsluitend persoonlijk werk zien. 33 Kropholler kreeg uiteindelijk maar weinig opdrachten: een paar toegangshekken voor het Park 'De Hoge Veluwe', enkele woningen in Hoenderloo en een garage voor Wm. H. Müller & Co., de exploitatiemaatschappij waarvan de heer Kröller-Müller directeur was. Erg verrukt was mevrouw Kröller-Müller niet van de producten van Kropholler en al spoedig koos zij voor de Belgische architect Henry van de Velde (1863-1957), die in 1936-'37 het Museum Kröller-Müller zou ontwerpen.
Kropholler ontpopte zich als een ware 'bouwer in baksteen', die behalve in de trant van Berlage, ook in een Oudhollandse stijl bouwde, met top- en trapgevels, zadel- en schilddaken. Maar ook daarbij bleef hij Berlage navolgen voor wat betreft de aandacht voor verschillende soorten baksteen, waaronder geglazuurde varianten en de toepassing van natuursteen op constructief belangrijke plaatsen. Net als Berlage zocht hij naar een nauwe samenwerking met andere kunstdisciplines om te komen tot decoraties die de functie van het gebouw benadrukten.
Opvallend bij Kropholler is de toepassing van grote, vlakke en sobere gevelwanden, die een enkele keer worden doorbroken door een venster- of deurpartij. Hierdoor maken Krophollers gebouwen een monumentale en gesloten indruk. Dit is met name het geval bij de kerken en complexen die hij van zijn nieuwe opdrachtgevers te ontwerpen kreeg.
Kunstenaars als Joseph Mendes da Costa (1863-1939) en Lambertus Zijl bleven na de breuk tussen Staal en Kropholler met laatstgenoemde samenwerken. Dit leidde wel tot een polemiek in het R.K. Bouwblad over of het wel juist was dat niet-katholieke kunstenaars opdrachten kregen om rooms katholieke kerken te decoreren met glas in lood, beeldhouwwerk en tegeltableaus. Ook kunstenaars als John Raedeker, Jan Toorop, Dirk Nijland, Felix Timmermans en Han Bijvoet verzorgden decoraties voor Krophollers gebouwen. Als er geen financiële middelen voorhanden waren, leverde zoals reeds eerder vermeld zijn zuster Julie ontwerpen voor glas in lood, tegeltableaus en tapijten.34
Cuypers en Viollet-le-Duc
Behalve voor Berlage had Kropholler veel bewondering voor de leerstellingen van P.J.H. Cuypers. Via Berlage en Cuypers kwam hij in contact met de theoretische geschriften van E.E. Viollet-le-Duc, vooral met de Dictionnaire raisonné de l'architecture (1854-'68). Volgens Kropholler was Viollet-le-Duc de grote herontdekker van de waarden van de middeleeuwse bouwkunst. Meer dan enige andere volgeling had P.J.H. Cuypers diens theorieën in de praktijk gebracht. Een spreuk die in veel geschriften van Kropholler voorkomt, is afkomstig van Viollet-le-Duc: 'toute forme qui n'est pas indiquée, par la structure doit être repoussée'. 35 Dit leidde bij Berlage en bij Kropholler tot het in het zicht laten van veel constructieve details, en het zelfs beklemtonen daarvan. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de open houten kapconstructies en de toepassing van schoon metselwerk in veel van zijn kerken, gemeentehuizen en zelfs woonhuizen.
Kropholler ontwikkelde al gauw na de breuk met Staal een eigen schoonheidsleer, die hij niet zozeer op zijn collega-architecten probeerde over te dragen als wel op de leek. In een aantal artikelen en in boekvorm beschrijft Kropholler hoe de architect een aantal schoonheidsprincipes dient te hanteren om tot goede architectuur te komen. Ook gaf hij vele lezingen, niet alleen in Nederland maar ook in België, waar hij voordrachten gaf tijdens de liturgische leergangen in Leuven. Voor dit doel en om van zijn Amsterdamse accent af te komen, nam hij spraaklessen.
Kropholler en de Delftse School
In de wat gedateerde literatuur worden veel 'traditioneel' werkende architecten uit het interbellum en de jaren vijftig onder de verzamelnaam 'Delftse School' behandeld. Latere studies laten een wat genuanceerder beeld zien. Tussen de spil van de Delftse School, prof.ir. M.C. Granpré Molière en Kropholler heeft het nooit geboterd. Volgens Herman Jansen mochten zij elkaar niet en hadden zij geen enkel contact met elkaar. Kropholler rekende zichzelf ook absoluut niet tot de Delftse School. Toch zijn er een, ook al verliep hun carrière nog zo verschillend, een aantal opmerkelijke overeenkomsten tussen beide architecten, die generatiegenoten waren, aan te wijzen. Beiden lieten zich tot het katholieke geloof bekeren en beiden waren zij zeer streng en persistent in hun eigen leer, die zij nadrukkelijk naar buiten brachten. Kropholler deed dit tot op hoge leeftijd in periodieken en boekwerken. Granpré Molière ventileerde zijn mening ook wel in vakbladen, maar veel meer nog door middel van zijn colleges, die via dictaten van zijn studenten overgeleverd zijn.
Wanneer wij de verhandelingen van Kropholler naast de collegedictaten van Granpré Molière leggen, dan valt direct op dat de leer van laatstgenoemde sterk filosofisch onderbouwd is. Beide architecten laten zich inspireren door de bouwkunst van v r de renaissance, de Romaanse en gotische bouwstijl (hoewel de gotiek volgens Granpré Molière te hoogstrevend is geworden). Zij komen ook uit op een gelijksoortige terminologie van begrippen en elementen die tot schoonheid leiden. Granpré Molière leidt die elementen af uit het filosofische gebouw van Aristoteles en Thomas van Aquino. Kropholler gaat uit van de ontwikkeling van traditionele vormen en materialen en leidt daar zijn schoonheidsideaal uit af. Hij lardeert zijn betogen met sprekende voorbeelden uit het verleden en uit eigen werk. Ook introduceert Kropholler een nogal mysterieuze schijf 36, waarin een aantal van dezelfde termen die ook Granpré Molière gebruikt, opgenomen zijn: 'Oorzakelijkheid', 'Ruimte' en 'Tijd', die zowel tot een innerlijke als uiterlijke harmonie moeten leiden. Evenals in Granpré Molières colleges worden daarbij zaken als omvang, hoogte, lijn en cirkel behandeld. De oorsprong van de schijf wordt door Kropholler niet onthuld maar het gebruik van dergelijke schema's was destijds niet ongebruikelijk. De Engelse tuinstadbeweging bracht haar idealen op die manier op grafische wijze tot uitdrukking. Ook binnen de Theosofie werden dergelijke schema's gehanteerd.
Terwijl Granpré Molière temidden van zijn studenten echt school maakte, deed Kropholler dat niet. Maar Kropholler bouwde heel veel en dat gaat niet op voor de Delftse hoogleraar, wiens gebouwde oeuvre zeer bescheiden is. Binnen de katholieke gemeenschap waren de architecten twee loten aan dezelfde boom: Kropholler met een kleine aanhang - waartoe onder meer B.J. Koldeweij en C.M. van Moorsel - en Granpré Molière met een redelijk grote achterban, met name van jonge architecten. Daarbij trok diens leer ook veel protestantse jongeren aan, omdat ze een levensfilosofie aangeboden kregen, die hen aansprak en vastigheid in het leven gaf.
Architecten uit de Delftse School, zoals bijvoorbeeld J.F. Berghoef (1903-1994) en J.J.M. Vegter (1906-1982), kregen tijdens de Wederopbouwperiode in de jaren vijftig veel opdrachten, hetgeen kwaad bloed zette bij moderne architecten als Willem van Tijen. Geleidelijk verdween echter de invloed van de Delftse School, mede door toedoen van nieuwe industriële productiewijze en de daarmee gepaard gaande grootschaligheid in de bouwwereld.
Kropholler en de eigen kring
Kropholler werd na beëindiging van de samenwerking met Staal lid van de Algemene Katholieke Kunstenaars Vereniging (A.K.K.V.). Het orgaan van deze vereniging was het R.K. Bouwblad, dat tijdens de oorlog 'Bouwblad' heette en na de oorlog doorging onder de naam Katholiek Bouwblad. Door onder meer deze stap verzekerde Kropholler zich van een aardige hoeveelheid kerkelijke opdrachten. Het is opvallend hoe leden van deze bond elkaar de hand boven het hoofd hielden als er sprake was van conflicten met anderen. Zo kreeg Kropholler bij moeilijkheden steeds steun van kunstenaars als Wies Moens en Cornelis Veth en van de al eerder genoemde architecten C.M. van Moorsel en B.J. Koldeweij, die als leerlingen van hem beschouwd kunnen worden.
Kropholler schreef tientallen artikelen voor het R.K. Bouwblad, en maakte ook deel uit van het team van vaste medewerkers van het blad. Hij schreef over allerhande architectuuronderwerpen. Ook voor andere katholieke bladen als Van bouwen en sieren (1930-1933) dat in 1933 opging in het R.K. Bouwblad en Opgang schreef Kropholler regelmatig artikelen. Ook behoorde Kropholler tot de vaste kern van medewerkers van het blad Bouwen, dat vanaf 1924 enkele jaren heeft bestaan.
Kerken en kerkelijke complexen
Kerken vormden na zijn toetreding tot de rooms katholieke kerk een belangrijk onderdeel van Krophollers oeuvre. Hij ontwierp zo'n vijfentwintig kerken en kerkelijke complexen, waarvan een aantal zeer groot opgezet is. Veel van de kerken die Kropholler ontwierp, zijn gebaseerd op een aantal door hem zelf geformuleerde uitgangspunten. 37 Deze zijn zowel godsdienstig, economisch als esthetisch van aard. Eerste vereiste was dat de gelovige goed kon deelnemen aan de Heilige Mis. Dit was een direct uitvloeisel van de onder paus Pius X aan het einde van de negentiende eeuw ingezette liturgische vernieuwing binnen de katholieke kerk. Het volk moest de liturgieviering van dichtbij kunnen meemaken. Het altaar diende daarom goed zichtbaar te zijn en dichtbij het publiek te staan, zodat de mis goed verstaanbaar was. Deze premissen leidden tot consequenties ten aanzien van de vormgeving. Zo diende de kerk kort en breed te zijn. Het altaar moest van opzij en van voren belicht worden en niet van achteren, waarbij de rest van de kerk in schemerlicht gehuld werd. Het middenschip moest zo breed zijn dat het alle zitplaatsen voor de gelovigen kon bevatten. De smalle zijbeuken kregen meer de functie van gangpaden. Omwille van een goede akoestiek diende de kerk laag te zijn en geen koepel op de viering te hebben. Daarnaast werd het door Kropholler echter ook belangrijk gevonden dat traditionele, inheemse elementen, die binnen de Heilige Kerk hun functie niet hadden verloren, toegepast werden: een van de basilica afgeleide hoofdvorm, steunberen, boogstellingen en de klokkentoren. Verder hechtte Kropholler aan constructieve eenvoud, hetgeen tot uiting kwam in de toepassing van hoge stevige muren van schoon metselwerk waarop het dak direct aansloot. Ook in het interieur werd het metselwerk onbewerkt gelaten. Hoewel Kropholler een dergelijke werkwijze motiveerde vanuit economische en ook wel morele overwegingen: 'overdaad schaadt', volgde hij in feite de esthetiek van Viollet-le-Duc en Ber lage.
Ook de plattegronden werden door Kropholler zoveel mogelijk aangepast aan de eisen van de gebruiker. Ingewikkelde composities komen bij Kropholler niet voor. Over het algemeen paste hij slechts traditionele rechthoekige vormen toe in een logische schikking. Het aantal vensters werd afgestemd op de grootte van het vertrek en het gebruik ervan. Daarom kan men aan de dispositie van de vensters in het exterieur van een gebouw van Kropholler vaak de indeling van het interieur aflezen. Het exterieur kondigt dan als het ware het interieur aan. Toch deed hij dit minder consequent dan Viollet-le-Duc en Cuypers, want hij liet de compositie van de verdeling van de vensters ook afhangen van de esthetiek van de totale gevel. Vooral bij die ruimten van kerkelijke complexen, die bestemd waren voor contemplatie, koos Kropholler voor een afgewogen, sobere schikking van de vensterpartijen.
Kropholler introduceerde het hierboven geschetste type kerk met zijn Onze Lieve Vrouwe van Goede Raadkerk in Beverwijk (1914). De kerk heeft een breed middenschip en zeer smalle zijbeuken, die van elkaar worden gescheiden door middel van een zuilengalerij met scheibogen. 38 Zelf beschouwde Kropholler de Paschaliskerk te Den Haag (1919), de Heilige Martelaren van Gorcum in Amsterdam (1927) en de kerk St. Antonius Abt in Rotterdam (1929) als zijn beste kerken.
De Amsterdamse kerk van de Heilige Martelaren van Gorcum (In Honorem S.S. Martyrum Gorcum) maakt deel uit van de eveneens door Kropholler ontworpen Linnaeushof. Deze grootstedelijke hofbebouwing bestaat voornamelijk uit etagewoningen en schoolcomplexen. Het oorspronkelijke plan van Kropholler voor dit gebied week nogal af van wat uiteindelijk tot stand kwam. De kerk, die verscholen ligt achter een van de twee toegangen tot de hof en op 21 maart 1929 werd ingewijd door de bisschop van Haarlem, is opgetrokken uit dezelfde rode handgevormde baksteen als de omliggende woningbouw. Wat opvalt zijn de dominante asymmetrische contouren van het gebouw en de spaarzaam doorbroken gevelwanden, waarbij in de sobere en vlakke ingangspartij toch symmetrische details zijn toegepast, zoals de lancetvensters ter weerszijde van de centrale ingang. In plattegrond is de kerk kort en breed. Het interieur heeft een uitgekiende belichting en suggereert een grote ruimtelijkheid door de toepassing van boogconstructies en de open houten dakconstructie. De wanden bestaan uit schoon metselwerk. Net als bij veel andere gebouwen van Kropholler hebben de verschillende bouwvolumes een bewuste grofheid, die is doorgevoerd in de afwerking en detaillering. In dit gebouw vallen de op meerdere plaatsen terugkerende vierkante torenachtige volumes op, maar ook de geprononceerde ondersteuningen van erkers en muurovergangen en het kloeke en degelijke metalen deurbeslag.
Dat Kropholler vanwege zijn kerkelijke architectuur zeer werd gewaardeerd, blijkt wel uit het feit dat men tekeningen en foto's van zijn kerken op de Wereldtentoonstelling van 1925 in Parijs wilde tonen. Kropholler reageerde niet op de uitnodigingen, ook niet nadat Berlage zich er persoonlijk mee had bemoeid. Waarschijnlijk was hij bang dat zijn werk ergens achteraf in het door J.F. Staal gebouwde paviljoen zou komen te hangen. Kropholler heeft de tentoonstelling wel bezocht en zich er zeer negatief over uitgelaten. 39
Raadhuizen en kantoren
De hierboven geschetste kenmerken die Krophollers kerken vertonen, laten zich ook aflezen aan Krophollers seculiere gebouwen, waarin hij echter een voorkeur aan de dag legde voor traditionele 'Hollandse' elementen, zoals de trapgevel. Hij paste deze onder meer toe in zijn vier veelbesproken raadhuizen te Medemblik, Waalwijk, Noordwijkerhout en Wateringen. Kropholler vond de trapgevel goed passen in de context van historische binnensteden.
Minder bekend is dat hij ook kantoorgebouwen in deze trant bouwde. Twee goede voorbeelden daarvan liggen aan het Kerkplein in Alkmaar: het hoofdkantoor van Verzekeringsmaatschappij 't Hooge Huys (1931) en het voormalig Politiebureau (1932-1936), waarin nu eveneens een verzekeringsmaatschappij is gevestigd. Beide gebouwen staan met hun in het oog vallende trapgevels aan het plein dat gedomineerd wordt door de laatgotische St. Laurenskerk. Kropholler wilde kennelijk dat zijn uit grote handgevormde bakstenen opgetrokken gebouwen met de kerk concurreerden, want beide panden zijn wat schaal betreft groter uitgevallen dan de rest van de pleinbebouwing. Deuren, vensters, dorpels en vensterbanken als ook hang- en sluitwerk zijn fors en degelijk uitgevoerd.
De portiek met ingang van 't Hooge Huys (1931) is in de hoek van het plein en de Langestraat geplaatst. De rustige en sobere voorgevel wordt slechts doorbroken door een smal venster op de begane grond en twee paar kruisvensters ter hoogte van de eerste verdieping, met daartussen een natuurstenen medaillon. De vensters in de lange gevel nemen af in grootte naar de hoek toe zodat volgens de opvattingen van Kropholler elke ruimte het licht ontvangt dat zij verdient. De plattegrond van 't Hooge Huys wijkt af van die van de raadhuizen. Achter de hoofdingang ligt een kleine hal die met behulp van een draaideur gescheiden was van een grotere tweede hal. Tegenwoordig zijn deze twee ruimten samengevoegd. In de hal ligt een fraai, op Berlagiaanse wijze opengewerkt, trappenhuis. Op de eerste verdieping bevinden zich de kantoorruimten en directievertrekken aan weerszijden van een rechte gang die door het gehele gebouw loopt. Tussen 1954 en 1958 werden door Kropholler en de Bergense architect N. Bijl achter het hoofdgebouw twee kantoren bijgebouwd. De twee gebouwen vertonen de voor Kropholler bekende elementen als natuurstenen accenten, topgevels en zadeldak.
Stedenbouw
Nauwelijks bekend is dat Kropholler een aantal opmerkelijk stedenbouwkundige projecten heeft gerealiseerd. Ze dateren alle van na zijn bekering tot het rooms-katholieke geloof en werden uitgevoerd in opdracht van rooms-katholieke opdrachtgevers: kerkbesturen, stichtingen, woningbouwverenigingen en gemeentebesturen. Genoemd kunnen worden: Scheveningse Kerkbouw (1911) met aangrenzende het (niet uitgevoerde) Volkenbondsplein (1917) in Den Haag-Scheveningen, het kerkelijk complex Sint-Antonius Abt in Rotterdam-Delfshaven (1916-1931), het woningbouwcomplex te Noordwijkerhout (1920), de bebouwing rond de St. Rita (1921-1922) en de Linnaeushof (1924-1928) in Amsterdam, het woningbouwcomplex aan de Kwartellaan en omgeving in Den Haag (1928), de bebouwing rond het Raadhuisplein in Waalwijk (1929-1931), het bejaardencomplex Mariëngaarde in Tilburg (1934-1935), de bebouwing rond het Mariaplein in Vught (1934-1939), de woningbouw aan de Lammerschansweg in Leiden (1935-1936, en het woningcomplex in Leidschendam (1939-1940).
Voor veel van deze projecten geldt dat Kropholler zijn plannen meerdere keren moest herzien omdat deze in eerste opzet dermate ambitieus waren dat zij financieel niet haalbaar waren. Daarbij waren er geregeld aanvaringen met Schoonheidscommissies. Als beginpunt van deze projecten maakte Kropholler vrij grove maquettes, waarin hij de volumes van de verschillende onderdelen tegen elkaar afwoog. Net zoals hij in een kerkgebouw de afzonderlijke delen helder definieerde, zo deed Kropholler dat ook in een stedenbouwkundig ensemble. Elk onderdeel kreeg zijn eigen positie, contour en duidelijk herkenbare dakpartij. Waar sprake was van een kerk, vormde deze de spil van de bebouwing, gelegen in een binnenhof of tenminste terugliggend ten opzichte van de overige elementen. Scholen en parochiehuizen vormden andere belangrijke oriëntatiepunten in het ontwerp. Deze duidelijke hiërarchie enerzijds, en de zorgvuldig vormgegeven 'geborgenheid' voor de bewoners anderzijds, zorgden met name in de grote steden voor enkele heel duidelijke rooms-katholieke enclaves in het stedelijk weefsel. Kropholler gaf aan de woningen die hij ontwierp, ook waar de financiën het nauwelijks toelieten, zoveel mogelijk iets extras mee in de vorm, afwerking en detaillering. Door de prominente dakpartijen lijken de woningen vaak lager en nederiger dan ze zijn. Typisch voor Kropholler is de eindgevel, die een sterk naar buiten en binnen zwenkende dakgootpartij heeft en eindigt in een tuit.
Bij het Raadhuisplein van Waalwijk (1929-1931), kreeg Kropholler de kans een stedelijk plein tot in detail te ontwerpen. Behalve een rijk gedecoreerd raadhuis, omvatte het ontwerp een politiebureau, winkelwoonhuizen, een permanente muziektent en straatmeubilair. Ook hier is gekozen voor een hiërarchische schikking van duidelijk afgebakende eenheden van verschillend volume.
Aan hoogbouw en strokenbouw in een open bebouwing heeft Kropholler zich nooit gewaagd. Het paste niet in zijn opvatting over stad en samenleving. Zijn stedenbouwkundige projecten ontstonden weliswaar in de schaduw en los van de moderne beweging maar zijn daardoor nog niet te verwaarlozen. De degelijke, ambachtelijke productiewijze van de gebouwen en woningen hebben ervoor gezorgd dat deze de tand des tijd vaak bijzonder goed hebben doorstaan. Wel heeft leegstand ertoe geleid dat veel van de monumentale gebouwen uit deze wijken verdwenen zijn of een geheel andere functie hebben gekregen. De woningen zelf vinden door hun sfeervolle uiterlijk, de gunstige ligging en fraaie omgeving tegenwoordig gretig aftrek bij de beter gesitueerden.
Publicaties, kritiek en conflict
Kropholler heeft gedurende zijn loopbaan veel kritiek te verduren gehad en menigmaal kwam het tot conflicten tussen hem en tijdgenoten. Gesteld kan worden dat een aantal van die conflicten niet op zichzelf staan maar dat deze in het verlengde moeten worden gezien van een reeks botsingen binnen de architectenwereld gedurende het interbellum en met name in de jaren dertig. Jongere architecten kwamen tegenover de oudere en gesettelde architecten te staan, die ook binnen de beroepsorganisaties en verenigingen de touwtjes in handen hadden. Daarmee doemt het beeld op van vooruitstrevend contra traditioneel. Zo waren veel leden van Architectura et Amicitia (A. et A.) ontevreden over de inzet van de bestuursleden. Ze vonden dat het Bouwkundig Weekblad/Architectura (het gemeenschappelijk orgaan van de Bond van Nederlandse Architecten B.N.A. en Architectura et Amicitia), te weinig een eigen gezicht had en dat er te weinig initiatieven werden ontplooid binnen de vereniging. Daarnaast speelde ook de rebellie van een groep jonge architecten van het Nieuwe Bouwen, die vond dat hun standpunten en idealen niet of nauwelijks vertegenwoordigd werden binnen het bestuur van A. et A. 40 A. Boeken, een van de representanten, noemde A. et A. in 1932 een 'dodenhuis'. Na een mislukte poging om de leiding van de vereniging over te nemen, scheidden 32 modernen, waaronder Boeken, Staal (!) en P. Zanstra zich af. Zij noemden zich de Groep '32.
Het was kortom een tijd van onrust en richtingenstrijd binnen de verschillende geledingen van de architectengemeenschap. Later in de jaren dertig werd in de ontwerpen de vlucht in het traditionalisme zichtbaar. Dit kwam duidelijk tot uiting in de open prijsvraag voor een Amsterdams stadhuis op het Frederiksplein (1937), waar ook Kropholler aan mee deed. Zelfs modern ingestelde architecten als Dudok en vader en zoon Staal leverden ontwerpen in, die een gebouw in Hollandse renaissance of in een classicistische stijl lieten zien.
Gedurende zijn hele carrière als zelfstandig architect heeft Kropholler door zijn standpunten een conflictueuze verhouding gehad met een groot aantal vakgenoten. Dat kwam niet in de laatste plaats door de nogal vaste en uitgesproken meningen in de publicaties van zijn hand. In 1910 - het jaar van de breuk met Staal - publiceerde hij in het tijdschrift Bouwkunst het artikel 'Over Bouwkunst. Beschouwingen voor den leek'. Hierin behandelde hij in hoofdzaak de silhouetten en indelingen van gevels en dakvormen van gebouwen. Aan de hand van voorbeelden legde hij uit wat daarvan de goede en slechte toepassingen waren. Hij prees daarin de eenvoud en doelmatigheid in met name het werk van Berlage. Maar tegelijkertijd schroomde hij niet om het werk van tijdgenoten af te keuren. Zo plaatste hij een foto van een winkelpand in eclectische stijl uit 1903 van architect Louis Mohrmann aan het Spui met de tekst: 'leelijke plat-vormen uit onzen tijd: quasi dakvormen'. 41 Overtuigd van zijn gelijk ging hij zich later meer en meer afzetten tegen de modestijlen van zijn tijd, de Amsterdamse School en het Functionalisme.
In 1930 verscheen in het Bouwkundig Weekblad een aantal artikelen van Kropholler, waarin hij voor de zoveelste keer zijn op de middeleeuwse traditie gebaseerde schoonheidsideaal beschreef en waaruit bleek dat zijn opvattingen daarover in al die jaren nauwelijks waren veranderd.
Per 1 januari 1932 zegde hij zijn lidmaatschap van de B.N.A. op, waarbij hij de bond beschuldigde van bevordering van het modernisme in het Bouwkundig Weekblad. Prof.ir. J.G. Wattjes, die dit bericht en de brief van Kropholler aan de B.N.A naar buiten bracht via het blad Het Bouwbedrijf, orgaan van onder meer het Nederlandsch Instituut van Architecten (N.I.V.A.), het afgescheiden broertje van de B.N.A., gaf Kropholler groot gelijk en wees op het feit dat meer architecten binnen de B.N.A. het niet eens waren met de nieuwe richting die de bond was ingeslagen. Daarnaast vond hij dat dezelfde problematiek zich bij de Schoonheidscommissies voordeed en dat zij hun doel, het tegengaan van lelijke architectuur, waren voorbij geschoten. De overheid probeerde door dwang schoonheid in een bepaalde richting te bevorderen. Deze tendens moest volgens Wattjes zo snel mogelijk worden omgebogen en hij zag Krophollers opzegging van zijn lidmaatschap dan ook als een serieuze waarschuwing. 42 Ook Kropholler zelf had regelmatig conflicten met Schoonheidscommissies. 43
Het bovenstaande leidde tot een voortdurende controverse tussen de traditionalisten en Kropholler enerzijds en de modernisten anderzijds, In het Bouwkundig Weekblad en in Het Bouwbedrijf werden regelmatig polemieken tussen de partijen gevoerd.
Prijsvragen
Vanaf 1933 deed Kropholler aan prijsvragen mee, voor het BIM gebouw in Den Haag en voor raadhuizen in enkele grote steden. De bekendste hiervan zijn Leiden en Den Haag. Maar ook in Amsterdam, Haarlem, Eindhoven en Maassluis dong Kropholler mee naar de eerste prijs. Geen van deze zes prijsvragen werd door Kropholler gewonnen. De procedures in Leiden en Den Haag hadden een lange nasleep. Beide keren eindigde Kropholler op de tweede plaats, wat niet bepaald eervol was.
In 1933 werd in Leiden het ontwerp van C.J. Blaauw door de Raadhuis Advies Commissie als winnaar uitgeroepen. 44 Ook de gemeenteraad stemde daar later mee. Een storm van protesten brak los toen bekend werd dat bij Blaauws ontwerp de rooilijngrenzen waren overschreden, met toestemming van de commissie. Dit, terwijl de andere inzenders zich precies aan de voorschriften uit het statuut hadden gehouden. Achteraf gaf de commissie ook aan de andere inzenders de gelegenheid om een gewijzigd ontwerp in te dienen, maar dat kwam als mosterd na de maaltijd. Ook werd de leden van de commissie wraakgevoelens verweten jegens Kropholler omdat hij hen als lid van de Schoonheidscommissie van Den Haag regelmatig tegengewerkt zou hebben, en dat als notoir. tegenstander van de B.N.A. Een grote groep van kunstenaars, architecten en kunstcritici (onder andere leden van de A.K.K.V) schreef vervolgens een brief aan de Kroon, waarin om nietigverklaring van het raadsbesluit werd gevraagd. Ook het Leidsch Dagblad tekende protest aan, maar het mocht niet meer baten. Het raadsbesluit bleek onomkeerbaar. 45
Een vergelijkbare situatie deed zich bijna tegelijkertijd voor in Den Haag. Hier viel Krophollers ontwerp al snel af. 46 Maar vooral onder het grote publiek bleek Kropholler al vanaf de presentatie van de ingezonden ontwerpen populair. Men vond zijn ontwerp mede door de toegepaste symmetrie beter passen in de omgeving - een statige negentiende-eeuwse woonwijk - dan de 'dozen en kisten' van de andere inzenders. Toen de commissie uiteindelijk het werk van J.M. Luthmann (1890-1973) bekroonde, was de boot aan. Tot twee maal toe werden in de Haagse raad moties ingediend met het voorstel om Kropholler ook de kans te geven zijn plannen verder uit te werken - maar beide keren werden deze verworpen; de raad ging akkoord met het advies van de commissie. Luthmanns ontwerp kon door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet worden voltooid. Na de oorlog heeft het stadsbestuur van verdere realisatie afgezien.
De periode 1939-1945
In 1939 ontwierpen Kropholler en Veendorp in opdracht van de Koninklijke Landmacht een kamerscherm dat als huwelijksgeschenk werd aangeboden aan prinses Juliana en prins Bernhard. Het geschilderde middenpaneel was van de kunstenaar Dirk Nijland. Kort daarop werd Kropholler benoemd tot officier in de orde van Oranje Nassau. In de periode 1939-1942 ontwierp de architect vooral raadhuizen voor kleinere gemeenten: Leidschendam (1939-1940), Wanssum (1939-1940), Asten (1940), Medemblik (1940-1941) en Grouw (1941-1942).
Tijdens de bezetting werden wetenschappers en kunstenaars verplicht zich in te schrijven als lid van de Kultuurkamer, waarmee men zich onderwierp aan het Duitse gezag en aan de culturele waarden en normen van de bezetter. Sommige architecten lieten zich als lid van de Kultuurkamer registreren om niet in hun bestaan bedreigd te worden, anderen deden dat uit overtuiging, terwijl weer anderen het land uit moesten of wilden, onderdoken of actief werden in het verzet. Het bestuur van de B.N.A. werd in juni 1941 door de autoriteiten afgezet. H.W. Müller-Lehning , commissaris voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen, ontsloeg de bestuursleden uit hun functie en belastte B. Boezeman met de leiding. Het Bouwkundig Weekblad werd onder curatele gezet. 47 Het blad bleef wel verschijnen (zonder de 'A' van Architectura), maar stond nu onder redactie van W. Retera Wzn. uit Den Haag, een aan het Duitse gezag getrouwe landgenoot, die al meerdere publicaties over bouwkunst op zijn naam had staan. 48 Zoals hierboven al gezegd, was Kropholler reeds begin jaren dertig geen lid meer van de BNA en publiceerde hij ook niet meer in het Bouwkundig Weekblad, het orgaan van deze vereniging, dat waarschijnlijk niets meer wilde publiceren na de conflicten die er waren geweest. In augustus 1941 verscheen nu van de hand van Kropholler de eerste van een reeks artikelen over de toepassing en bewerking van hout binnen het bouwvak, onder de titel: 'Wat was, is en komen moet'. Het was de zoveelste kruistocht van Kropholler tegen wat het modernisme aan architectuur had voortgebracht. De voornaamste overeenkomst tussen moderne kunststromingen (van Amsterdamse School tot en met het Dadaïsme) was volgens Kropholler dat deze 'regelrecht indruischten tegen elke volksoverlevering'.49 Kropholler besloot de reeks van zeven artikelen met de volgende zin: 'Het is echter wel een beetje jammer, dat eerst nù hier ongehinderd over de goede beginselen van het bouwvak kan worden beschreven, ook door niet-lede n van den B.N.A., als ondergeteekende reeds sedert een tiental jaren'. 50 Uit dezelfde periode dateert een vriendelijke briefwisseling tussen Kropholler en J.J.P. Oud naar aanleiding van een artikel van Kropholler over bouwkunst in de Haagse Post.
In 1941 werd in Museum Boijmans in Rotterdam de tentoonstelling Nederland bouwt in baksteengehouden, met als organisatoren onder andere Krophollers leerling C.M. van Moorsel en H.M. Kraayvanger. Behalve voorbeelden van de oude Hollandse baksteenarchitectuur uit vroeger eeuwen, werden voorbeelden van de nieuwe baksteenarchitectuur vanaf circa 1880 getoond. In hetzelfde jaar verscheen Krophollers boek Onze Nederlandsche baksteen-bouwkunst, opnieuw een pleidooi voor een op de middeleeuwse bouwkunst geïnspireerde architectuur, in vormen die inherent zijn aan de baksteenbouw en daardoor nooit ouderwets kunnen zijn, zoals de trapgevel en de boogvormige opening. Ook al had de renaissance in Nederland fraaie kunstwerken voortgebracht, toch was deze als bron voor de hedendaagse architectuur veel minder geschikt omdat toen het individualisme hoogtij vierde. Individualisme is volgens Kropholler altijd in zekeren zin tegengesteld aan het volksche, omdat de individualistische uiting geen gebondenheid vooropstelt aan de volkstraditie, de oereigen voor de hand liggende wijze, waarop in de door strijd, klimaat en landstreek gedurende generaties verbonden volksgemeenschap elk individu het beste van zijn kunnen geeft. Bovendien had deze periode van economische bloei ervoor gezorgd dat uitheemsch materiaal gebruikt kon worden in hoeveelheden alsof het maar hier voor het grijpen was en de natuurlijke grenzen aan het bouwen gesteld daardoor verdoezeld werden.
Tot de blijvende waarden in de Nederlandse bouwkunst, rekende hij:
- De vakkundige verwerking en toepassing van het inheemsche materiaal
- De geheele wijze waarop de beste onder ons volk het bouwen hebben verstaan; met eenvoudige groote middelen een waardig zelfverzekerd effect scheppen
- Een zekere nuchtere soberheid, die vrolijkheid niet uitsluit. 51
In 1942 gaven de bisschoppen in Nederland aan de katholieke kunstenaars toestemming om lid te worden van de Kultuurkamer, op voorwaarde dat men niet actief zou meewerken.
In 1943 trad Kropholler tijdens een sobere plechtigheid in de R.K. kerk te Wassenaar in het huwelijk met zijn huishoudster, mevrouw T.C. Janse. Krophollers huis in Wassenaar werd gevorderd en de oorlogsjaren woonde het paar in bij een bevriend echtpaar. Kropholler hield zich van 1943 tot 1947 samen met R. Veendorp voornamelijk bezig met een nooit verschenen boek over meubelen en interieurs. De lezer kreeg door middel van interieurschetsen, foto's van door Kropholler gerealiseerde meubelontwerpen en interieurs alsmede goede werktekeningen een handleiding om zijn huis in te richten in de Hollandse traditie: met zware balkenplafonds en met solide, met snijwerk versierde meubelen. Het is daarbij weer kenmerkend dat Kropholler daarbij geen onderscheid maakte tussen reeds lang geleden door hem gerealiseerde ontwerpen en nieuwere modellen. In het voorwoord stelt hij dat bij de meubelen is uitgegaan van echte houtconstructies en voor de versiering ook van juiste houtbewerking (opgestoken schuine kanten, schaafwerk in profielen), waardoor ze goed te combineren zijn met oude meubelen.
Kropholler en de Ereraad voor Architectuur
In juni 1946 werd, door de inmiddels gezuiverde B.N.A., bij de Ereraad voor Architectuur een aanklacht ingediend tegen Kropholler, vanwege publicatie van het artikel Die Niederländische Baukunst in het novembernummer van 1941 van het Duitse tijdschrift Monatshefte für Baukunst und Städtebau. De Ereraad voegde daar zelf de volgende opsomming van verdachte handelingen aan toe:
- de publicaties in het Bouwkundig Weekblad in de maanden augustus-oktober 1941, toen het tijdschrift onder toezicht stond van de NSB-er Boezeman en W. Retera Wzn. de redactie voerde;
- een lezing die Kropholler in het Duits voor een gezelschap van Duitsers en Nederlanders in de zomer van 1941 in Den Haag had gehouden;
- een brief van Kropholler, gedateerd 30 november 1940 aan secretaris T. Goedewaagen van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, waarin de architect zichzelf aanbeveelt en melding maakt van het feit dat hij jarenlang door de B.N.A. is tegengewerkt;
- het feit dat hij een van zijn medewerkers ter beschikking stelde van hetzelfde Departement.
Na onderzoek kwam de Ereraad tot de conclusie dat alleen de publicaties in de beide tijdschriften en de brief aan het Departement aan Kropholler ten laste konden worden gelegd. Wat de lezing in Den Haag betreft, was de verklaring van de Amsterdamse Lt. kolonel Gijsberti Hodenpijl van 12 april 1946 belangrijk. De lezing zou een gecamoufleerde spionageopdracht geweest zijn, die als doel had om gevangenen vrij te krijgen. Ook bleek uit het onderzoek dat Kropholler niet tot de eenenzestig architecten behoorde die in de oorlog lid waren gebleven van de B.N.A. Hij was evenmin lid geweest van het Nationale Front of van de N.S.B. Ook had hij geen opdrachten voor de Duitsers uitgevoerd of meegedaan aan de door de bezetter uitgeschreven Jeugdherberg prijsvraag.
De Ereraad stelde dat Kropholler op een wel zeer naïeve wijze zijn gram had proberen te halen tegenover de B.N.A., waarmee hij reeds lange tijd conflicten had. De raad bepaalde dat Kropholler tot 1 januari 1950 niet mocht publiceren op het gebied van de bouwkunst of de toegepaste kunst. Ook kreeg hij een boete van f 1000,-. Bouwen mocht hij echter wel.52 Opmerkelijk is dat hij nog datzelfde jaar de opdracht kreeg voor een monument voor gesneuvelde Nederlandse soldaten in Boxmeer en voor een plaquette voor het raadhuis van Waalwijk, ter nagedachtenis aan de door de Duitsers gefusilleerde burgemeester van die stad. Ook herstelde hij de schade die het door hem ontworpen bankgebouw van de firma Mees in Rotterdam tijdens het bombardement had opgelopen.
De jaren na de Tweede Wereldoorlog
Kropholler bleef echter vijandig bejegend worden, met name door het bestuur van de BNA. In 1947 verscheen een bericht van het dagelijks bestuur onder de kop 'Kropholler heeft zijn Paladijnen weer'. Naar aanleiding van een bericht in Het Dagblad van 13 januari 1947 waarin enkele bekende personen uit de kunstwereld de minister verzochten om Kropholler wederopbouwplannen te laten maken voor het Korte Voorhout in Den Haag, reageerde het bestuur van de BNA als volgt: 'Wie zijn toch die ridders van deze Herautenstoet, die met trompetgeluid de herrijzenis van de meester verkondigen uit de troebele schemer van de jaren 1941 en 1942 in het weer heldere licht van de Nieuwe Dageraad? Wie zijn toch die anonyme stalknechts. Die Kropholler, die in den bezettingstijd in een bekend Berlijnsch Monatschrift geniepige stukjes schreef over de BNA en het Bouwkundig Weekblad in bewoordingen, die den Moffen "nur sympathisch" konden zijn, weer een paardje voor zijn karretje willen spannen? (...), die voor Kropholler, die als frère compagnon met Goedewagen, Boezeman, Gerdes en Gratama aan één tafel zat, komen pleiten.... 53
Dat er geruchten de ronde bleven doen over het 'foute' verleden van Kropholler, is vooral te danken aan J.J. Vriend. Diens populariteit bij studenten architectuur en architectuurgeschiedenis in de jaren zestig en zeventig - met name door zijn boek Links bouwen rechts bouwen uit 1974 - heeft niet alleen doen vergeten dat Vriend zelf voor en tijdens de oorlog zijn sympathie voor het Duitse architectonisch gedachtegoed bepaald niet onder stoelen of banken stak, maar Kropholler voor goed ingedeeld bij het verkeerde kamp: Granpré Molière en andere Delftse School architecten hadden niet gecollaboreerd met de bezetters, Kropholler, A. Staal, W. Retera, F. Vermeulen, J. Boezeman, G.A.C. Blok en J. Gratama wel. 54 Kropholler heeft zich wel tegen Vriend willen verweren, zo blijkt uit een typescript in het archief Kropholler. Hij stelt daarin: Onder een beetje dwaze titel "links en rechts in de architectuur" worden meningen gegeven en verhalen verteld ook van persoonlijke aard door een schrijver die zelf geen bouwer is; die van wat architectuur is helemaal geen ander benul heeft, dan hetgeen er voor buitenstaanders in het algemeen voor wordt gehouden. Onder die buitenstaanders zijn dan ook te begrijpen de vakbeoefenaars die hun huik naar de wind zetten en de architectuur in het geheel niet dienen maar enkel als winstobject gebruiken, waarbij zij vandaag die en morgen weer een andere mode het geschiktst achten. Hun publicaties zou men daarom beter schots en scheef langs de architectuur heen kunnen betitelen. Ik ben gewoon daarom, ze ook maar langs mij heen te laten gaan als kletspraat maar deze vriend (sic) schijnt het nodig te hebben om ten opzichte van sommigen de dingen anders voor te stellen dan ze zijn om interessanter als voorlichter te kunnen spelen. Wie dat slikken wil, moet t maar weten, maar waar hij zich in regelrechte kwaadsprekerij omtrent mij begeeft, moet ik er wel tegen op komen. En verder: Noch met Vermeulen noch met Gratama heb ik tussen 40 en 45 iets te make n gehad, wat de schrijver insinueert. Dat ik tot "dat team behoorde" is een even bespottelijke leugen, als dat ik mij tevoren ooit "paria" zou hebben gevoeld, of daar reden toe zou hebben gehad. 55
Ondanks deze tegenwind en het feit dat hij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, ging Kropholler onvermoeibaar verder met het ontwerpen en uitvoeren van gebouwen. Uit de naoorlogse periode dateren onder meer het raadhuis van Arcen-Velden (1946-1949), de kerk Sint Franciscus van Assisi in Nijmegen (1948), de Heilig Hartkerk aan de Graafseweg in s Hertogenbosch (1949-1951) en de Sint Christoffelschool in Tilburg (1953-1955). In de jaren vijftig raakte Kropholler gefascineerd door niet-westerse architectuur, filosofie en religie, hetgeen zijn neerslag vond in zijn publicaties in deze periode. 56 Veel tijd was Kropholler kwijt met bezwaarschriften en gerechtelijke procedures tegen verbouwingen van door hem gerealiseerde panden. In 1965 ontwierp de toen hoogbejaarde architect de kerktoren voor de kerk van het stedenbouwkundig project Scheveningse Kerkbouw in Den Haag. Het was de bekroning van het project waaraan hij vierenvijftig jaar eerder, in 1911 was begonnen.
In 1967 schreef de 86-jarige Kropholler zich nog in als deelnemer aan de prijsvraag voor een nieuw stadhuis in Amsterdam. De toenmalige stadsbouwmeester Chr. Nielsen liet hem toen weten dat hij eerst een bewijst diende te overleggen van registratie als lid van een architectenvereniging, om aan te tonen dat hij over de gevraagde bevoegdheden beschikte. Omdat hij al sinds begin jaren dertig geen lid meer was van een architectenvereniging, betekende dit dat hij van deelname uitgesloten was. 57
A.J. Kropholler overleed op 17 mei 1973. Hij werd in Den Haag begraven.
Nawoord
Het beeld dat in dit deeltje van de BONAS-reeks van architect A.J. Kropholler wordt gepresenteerd, wijkt af van het bestaande beeld dat in de inleiding werd geschetst. Dat wordt in hoge mate bepaald door de vooral door J.J. Vriend verspreide gedachte dat Kropholler in de oorlog fout was geweest, een gegeven dat welhaast een logisch uitvloeisel leek van zijn belangstelling voor inheemse bouwmaterialen en -tradities. Zoals de Ereraad voor Architectuur al opperde, was Krophollers kortstondige welwillendheid tegenover de bezetter in feite een wat naïeve poging om zijn gelijk te krijgen tegenover de BNA, met wie hij begin jaren dertig gebroken had omdat er te weinig ruimte was voor architecten die zich niet bij de modernen wilden aansluiten, een mening die door menigeen werd gedeeld maar die Kropholler soms wat ruw en onhandig ventileerde. Dit alles is hem duur komen te staan. Niet alleen werd hij na de oorlog voortdurend herinnerd aan deze misstap, ook werd hij zonder pardon ingedeeld bij de groep architecten, die werkelijk een pro-Duitse positie hadden gekozen. Vanuit de gedachtegang dat Kropholler wel zwaar gestraft zou zijn voor zijn daden, is vergeten dat de architect ook na de Tweede Wereldoorlog, tot in de jaren zestig, nog zeer veel heeft gebouwd en gepubliceerd. Ook is vergeten dat zijn werk bij velen, onder wie H.P. Berlage en J.J.P. Oud, destijds in hoog aanzien stond.
Een andere mythe, die kleeft aan de persoon Kropholler, is dat hij een eenvoudige autodidact zou zijn geweest, dit in tegenstelling tot Granpré Molière. Uit deze biografie blijkt echter dat Kropholler het vak van architect weliswaar op de ambachtsschool leerde, maar dat hij tegelijkertijd opgroeide in een intellectueel en kunstzinnig milieu. Zijn leven lang heeft hij zich zeer intensief met filosofische, religieuze en kunstzinnige vraagstukken heeft bezig gehouden. Met veel bekende kunstenaars van zijn tijd had hij goede contacten. Zijn ideeën over architectuur en samenleving, over de componenten waarmee de architect een gebouw schept, over de rol van kunst in architectuur, over wonen en meubelkunst, trachtte hij langs allerlei kanalen niet alleen voor vakgenoten maar ook voor een groot publiek toegankelijk te maken. Ook andere architecten, zoals W.P.C. Knuttel, deden dat in die tijd. Toch heeft dit populariseren van de eigen denkbeelden over architectuur Kropholler in de wereld van de naoorlogse architectuurgeschiedschrijving beslist geen goed gedaan.
Door dit alles wordt voorbij gegaan aan het feit dat Kropholler na zijn bekering tot het rooms-katholicisme een belangrijke rol heeft gespeeld in de nadere ontwikkeling van de rooms katholieke identiteit in de Nederlandse architectuur en stedenbouw van de twintigste eeuw, een ontwikkeling die in de negentiende eeuw was ingezet. In deze kring voelde hij zich begrepen en hoefde hij zich niet verdedigend op te stellen. In deze kring vond hij zijn medewerkers en navolgers. Zijn beste prestaties leverde hij daar waar hij geen tegenwerking hoefde te verduren. Waar hij zich niet hoefde te bewijzen, hoefden geen te nadrukkelijke stijlkenmerken worden ingezet.
Kropholler vond de inspiratiebronnen voor zijn architectuur via Berlage en diens grote voorbeelden Cuypers en Viollet-le-Duc in de architectuur van de middeleeuwen; niet zozeer de middeleeuwen van de gotiek, maar van het Romaans, met zijn duidelijk gemarkeerde bouwvolumes, simpele constructies en kloeke details. Ook voor de periode van de Hollandse renaissance had hij belangstelling, zij het in mindere mate. In de loop der tijd ontwikkelde Kropholler een eigen idioom, waarin hij steeds vaker de beklemtoning van constructieve onderdelen, zoals Berlage die voorstond, achterwege liet. Nog meer dan bij Berlage wordt de architectuur dan een spel van uit vlakken opgebouwde volumes, waarin de openingen vlijmscherp zijn uitgesneden.
Het is spijtig dat een aantal van Krophollers meest monumentale werken, waaronder enkele van zijn opmerkelijkste kerkelijke gebouwen, ondanks protesten daartegen, in het recente verleden gesloopt is. 58 Een gebrek aan belangstelling voor deze bouwstijl en het traditionalisme binnen de recente architectuurgeschiedenis is daarop zeker van invloed geweest. Hopelijk is wat rest van Krophollers oeuvre een beter lot beschoren.
Noten
1 Met dank aan H. Jansen voor een kopie van dit typescript en voor een kopie van de autobiografie en de werkenlijst in typescript, die Kropholler in 1969 zelf voor Jansen samenstelde. In de noten wordt deze documenten vervolgens aangehaald als typescript Jansen en egodocument Kropholler. Een exemplaar van beide documenten in NAi, archief Kropholler.
2 Typescript Jansen, p. 1.
3 A.C.H. Hofstede, A.J. Kropholler en de HH Martelaren van Gorcum (doctoraalscriptie VU Amsterdam, 1983).
4 E.M Dolné, A.J. Kropholler 1882-1973. Leven en werk (doctoraalscriptie Nijmegen, 1980).
5 A. Kramer, De kerken van A.J. Kropholler (doctoraalscriptie Leiden, 1982)
6 Egodocument Kropholler (o.c. noot 1). Zie ook A.C.H. Hofstede,'A.J. Kropholler; een onbekend architect', Ons Amsterdam 37 (1985) 4, pp. 92-96.
7 Hofstede 1983 (o.c. noot 3), p. 14 noot 3.
8 E. van Kessel, M. Kuperus, Margaret Staal-Kropholler, architect 1891-1966, Rotterdam 1991.
9 Mededeling van H. Jansen aan J. Roding, 2001.
10 In het archief Kropholler bevinden zich diverse ontwerpen van Julie Kropholler.
11 Egodocument Kropholler (o.c. noot 1).
12 Over deze samenwerking zie P. Karstkarel en R. Terpstra, De beginperiode: de samenwerking met A.J. Kropholler in de jaren 1902-1910, in: Forum 36 (1993) 3-4, pp. 9-25 (dit nummer van Forum is geheel gewijd aan het werk van J.F. Staal).
13 Adresboeken Gemeente Amsterdam, 1902 t/m 1912.
14 P. Karstkarel, R. Terpstra, A.J. Kropholler en J.F. Staal (1902-1910) en het kantoorpand voor de "Utrecht" in Leeuwarden (1903), Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 77 (1978) 1, pp. 18-51; in de adresboeken staat Staal ook als makelaar vermeld.
15 Egodocument Kropholler (o.c. noot 1).
16 Karstkarel en Terpstra 1978 (o.c. noot 14).
17 Idem, p. 19.
18 Egodocument Kropholler (o.c. noot 1).
19 Idem.
20 Mededeling van Herman Jansen aan J. Roding, 2001.
21 Egodocument Kropholler (o.c. noot 1).
22 Idem; met de cirkel wordt het vignet van het bureau aangeduid.
23 A. Boeken, `J.F. Staal en de twintigste eeuw, Bouwkundig Weekblad Architectura (1940) 25, pp.196-197.
24 NAi, archief Kropholler.
25 Egodocument Kropholler (o.c. noot 1).
26 Idem.
27 Dolné 1980 (o.c. noot 4), p. 71
28 Egodocument Kropholler (o.c. noot 1).Hofstede 1983 (o.c. noot 4), pp. 20-21, 29-30.
29 Jean Paul Baeten, 'Alexander Jacobus Kropholler (1882-1973). Zijdeweg/Klingelaan, Wassenaar (1921-1922), in: De Sluitsteen. Jaarboek 1999. Het huis van de architect, s.l. 1999.
30 Hofstede 1983 (o.c. noot 4), pp. 22-24.
31 Idem, p. 24
32 Idem, p. 22
33 J. van der Wolk, De Kröllers en hun architecten, Otterlo 1992, pp. 21-22, 67-68.
34 Van enkele van deze kunstenaars bevinden zich ook tekeningen/ontwerpen in het Kropholler archief.
35 A.J. Kropholler, Dr. P.J.H. Cuypers en Viollet-le-Duc, Opgang 7 (1927) 20, p. 347.
36 A.J. Kropholler, Kunst en leven. Amsterdam/Antwerpen 1938, p. 20; Zie ook Doln 1980 (o.c. noot 4), pp. 32-40.
37 A.J. Kropholler, Onze Nederlandsche baksteenbouwkunst, Den Haag 1941, p. 40.
38 E.M. Dolné , Een schip voer langs de horizon. Krophollerkapel Canisiuscollege te Nijmegen gesloopt, de Sluitsteen 3 (1987) 9, pp. 27-29.
39 Kramer 1982 (o.c. noot 5), 65-70.
40 J. Schild en J. van der Werf, Architectura et Amicitia, Rotterdam 1992, p. 126.
41 In: Bouwkunst (uitgave van de Maatschappij tot Bevordering van de Bouwkunst) 2 (1910), pp. 97-120 (gedateerd 1907-1908).
42 J.G. Wattjes, Het uittreden van arch. A.J. Kropholler uit den BNA, Het Bouwbedrijf 9(1932)1, p. 7.
43 Enkele voorbeelden: in 1918 naar aanleiding van de O.L. Vrouwen van Lourdeskerk te Scheveningen; in 1920 met de Amsterdamse Schoonheidscommissie (voorzitter Jan Gratama) naar aanleiding van de gevelindeling van de pastorie van de St. Ritakerk in Amsterdam Noord (zie Bouwkundig Weekblad 41 (1920), nrs. 21 en 24); in 1927, eveneens te Amsterdam, naar aanleiding van het ontwerp van de HH. Martelaren van Gorcum in de Linnaeushof.
44 W. Bruin e.a., De plannen voor het nieuwe Leidsche raadhuis, Bouwkundig Weekblad Architectura 54 (1933) 33, p. 269-294.
45 Zie documentatie in NAi/KROP 111.
46 A.P. Smits e.a., Ideeënprijsvraag voor een raadhuis te 's Gravenhage, Bouwkundig Weekblad Architectura 55 (1934) 20, p. 185-200.
47 Schilt en Van der Werf 1992 (o.c. noot 40), p. 140.
48 In 1927 redigeerde hij een reeks monografieën over bekende Nederlandse architecten, onder wie - naast Kropholler - Berlage, Kromhout en Dudok.
49 Bouwkundig Weekblad Architectura, augustus 1941, p. 277.
50 Bouwkundig Weekblad Architectura, oktober 1941, p. 346.
51 Kramer 1982 (o.c. noot 5), p.21 en verwijzingen.
52 Hofstede 1983 (o.c. noot 4), pp. 39-43.
53 Bouwkundig Weekblad, februari 1947, nr. 7. p. 56. In de redactie zaten onder meer de architecten B.T. Boeyinga, A. Evers en J.P. Mieras.
54 J.J. Vriend, Links bouwen rechts bouwen, Amsterdam 1974, p. 106.
55 Voor zover bekend is dit artikel van Kropholler niet gepubliceerd.
56 Hofstede 1983 (o.c. noot 4), p. 29.
57 Correspondentie in NAi, archief Kropholler.
58 C.W. Fock, P.P.V. van Moorsel, J.M.F. Fritschy e.a., 'De Sint-Antonius Abt te Rotterdam-Delfshaven', Bulletin Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 73 (1974) 5, pp. 187-209.
› Lees meer








